Regionaal Tuchtcollege Zwolle doet uitspraak tegen arts inzake medisch advies tbv WMO aanvraag

Klacht tegen arts over een medisch advies, aangevraagd door de gemeente over een WMO aanvraag.De arts heeft niet met de vereiste zorgvuldigheid gehandeld door zijn advies op aandringen van de gemeente aan te passen, zonder klaagster daarin te kennen.

De Uitspraak

ECLI:NL:TGZRZWO:2018:43
Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 268/2017

Beslissing d.d. 13 februari 2018 naar aanleiding van de op 13 oktober 2017 bij het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle ingekomen klacht van

 

A,wonende te B,

k l a a g s t e r

-tegen-

C, arts, (destijds) werkzaam te B,

gemachtigde mr. D.M. Pot, Stichting VvAA Rechtsbijstand te Utrecht,

 

v e r w e e r d e r

 

 

1.   HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

 

Dit blijkt uit de volgende stukken:

– het klaagschrift met de bijlagen;

– het verweerschrift.

 

De zaak is behandeld ter openbare zitting van 16 januari 2018. Klaagster en verweerder zijn verschenen. Klaagster en verweerder werden vergezeld door hun gemachtigden.

 

2.   DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.

Op 26 juli 2017 is klaagster op het spreekuur van verweerder geweest in het gemeentehuis te B, in verband met een medisch advies dat de gemeente D had aangevraagd over een WMO-aanvraag. Verweerder was in dienst van E, een medisch adviesbureau, en zat in zijn inwerkperiode. Klaagster was bij verweerder ingepland voor een kort gesprek inzake de beoordeling voor een Gehandicapten Parkeer Kaart. Bij binnenkomst bleek echter dat verweerder werd gevraagd om een beoordeling in het kader van een bezwaar tegen de afwijzing door de gemeente van de aanvraag van een handbewogen rolstoel en woningaanpassing (een onderrijdbaar aanrecht). Verweerder heeft ter plaatse de Functiemogelijkhedenlijst ingevuld. Aan het eind van het gesprek met klaagster heeft hij aangegeven dat hij voldoende informatie had en dat hij zou adviseren de voorzieningen te verstrekken.

 

Verweerder heeft naar aanleiding van het gesprek een adviesrapportage gemaakt. Hij stuurde de rapportage aan zijn supervisor, die de rapportage geschikt vond en in de database van E zette en tevens per e-mail aan de gemeente zond (advies 1).

 

Op 22 augustus 2017 kreeg verweerder een e-mail van zijn secretariaat dat de gemeente niet tevreden was met de rapportage, met het verzoek de betrokken ambtenaar te bellen. In verband met drukke werkzaamheden beantwoordde verweerder eerst op

28 augustus 2017 schriftelijke vragen per e-mail, waarop hij het verzoek kreeg zijn advies aan te passen. Door tijdgebrek bleef dit liggen. Verweerder kreeg op 6 september 2017 tijdens zijn spreekuur in D twee ambtenaren op bezoek die hem verzochten om het aangepaste rapport zo spoedig mogelijk in te leveren, aangezien uiterlijk de volgende dag de beslissing op bezwaar moest worden verzonden om een dwangsom te vermijden. Op 7 september 2017 om 12.12 uur ontving verweerder van de gemeente nog een

e-mail waarin stond -voor zover van belang-:

“U geeft advies aan de gemeente, het advies wordt pas met de beslissing op bezwaar aan mevrouw verzonden. Graag het verzoek zoals afgesproken het advies aan te vullen en mijn opmerkingen hierin mee te nemen (zie bijlage). Indien u niet voor 16.00 uur het advies kunt toesturen komen wij in de problemen in het kader van Wet Dwangsom dus dan verwachten wij hier tijdig bericht over van u.”

Verweerder verzocht een ervaren collega om advies en paste het rapport aan (advies 2). Hij sloot het advies af op 8 september 2017 om 00.51 uur en zond dit naar de gemeente.

 

De adviezen verschillen op diverse punten van elkaar.

 

1. Onder de kop Advies sociaal domein:

– onder Advies: In het eerste advies: “Om die reden is er een indicatie voor een handbewogen rolstoel met goede zijwaartse balans, alsook een onderrijdbaar aanrecht in huis”. In het tweede advies ontbreekt deze zin.

– onder Anamnese: In het eerste advies: “Een aanvraag voor een adequate handbewogen rolstoel en een onderrijdbaar aanrecht is in eerste instantie afgewezen omdat volgens de keurende arts de beperkingen niet voldoende objectiveerbaar waren. Hiertegen is cliënt in bezwaar gegaan.” In het tweede advies:  “Een aanvraag voor een adequate handbewogen rolstoel en een onderrijdbaar aanrecht is in eerste instantie afgewezen. Hiertegen is cliënt in bezwaar gegaan; bij de hoorzitting van 29-05-2017 gaf cliënt aan dat er sprake was van gewijzigde omstandigheden, t.w. dat zij door de afwijzing volkomen zorgafhankelijk was geworden.”

 

– onder Wat is de omvang en de indicatieduur van de voorziening?: In het eerste advies: “Onbepaalde tijd, aangezien het chronische problematiek betreft zonder dat momenteel duidelijk is of er adequate behandeling mogelijk is.” In het tweede advies: “Onbepaalde tijd, aangezien het chronische problematiek betreft zonder dat momenteel duidelijk is of er adequate behandeling mogelijk is. Uit de door cliënt overgelegde stukken blijkt dat er veel behandelingen zijn verricht, ook door specialisten o.a. van een universiteitskliniek, maar vooralsnog met onvoldoende resultaat. De behandelingen lopen nog. Gezien het beloop tot dusverre valt redelijkerwijs niet te verwachten dat de situatie binnen 6 maanden substantieel zal verbeteren”

 

– onder Welke resultaten wil de cliënt bereiken?: In het eerste advies: “Adequate handbewogen rolstoel met betere zitbalans, en onderrijdbaar aanrecht”. In het tweede advies: “Verbetering van de redzaamheid, met name binnenshuis. De aanvraag beoogt het verkrijgen van hulpmiddelen om dit te effectueren.”

 

– onder Het advies is met de cliënt besproken? In het eerste advies: “Ja Aanvullende opmerking: Zij kan zich vinden in het advies.”In het tweede advies: ja Zij kan zich vinden in het advies. 

 

2. Onder de kop Beperkingen:

– onder Algemeen: In het tweede advies: “Hoe veilig cq is het medisch verantwoord om mevrouw alleen te laten? In principe kan Mw alleen gelaten worden. Er zijn mij bij het spreekuurcontact geen specifieke psychische of cognitieve beperkingen gebleken die dit in de weg zouden staan. Er is geen verhoogd risico op medische noodsituaties en cliënt kan in staat worden geacht om in voorkomende gevallen zelfstandig te alarmeren. De noodzaak voor een oppas kan ik daarom niet onderbouwen.”

In het eerste advies ontbreken het kopje Algemeen en de zinnen daaronder.

– onder Beperkingen persoonlijke zorg is in het tweede advies toegevoegd:

In hoeverre is cliënt beperkt om zelfstandig naar het toilet te gaan en zich zelf te reinigen? En in hoeverre is het voor mevrouw onmogelijk om met de elektrische rolstoel naar het aanrecht te rijden, met een kruk op te staan en een glas water te pakken? Transfers kunnen zelfstandig worden gemaakt; ook zelfverzorging resp. zelfstandig naar het toilet gaan is mogelijk maar met fors tempoverlies. Kortdurend met een elleboogkruk aan het aanrecht staan is mogelijk, echter aan het aanrecht werken is alleen zittend mogelijk omdat de normale linker arm al wordt benut voor het vasthouden van de kruk.”

In het eerste advies ontbreken deze zinnen.

– onder Beperkingen huishoudelijke taken is in het tweede advies toegevoegd: “Kan cliënt bijvoorbeeld wel een pan met water vullen, aardappels schillen en dit op het fornuis tillen? Is mevrouw in staat om alle handelingen te verrichten, die noodzakelijk zijn om zelfstandig een maaltijd te kunnen bereiden? Heeft zij medisch gezien genoeg kracht en mogelijkheden gezien haar beperkingen? Kan zij nog zelfstandig koken met haar arm en handfunctie? Als er voldoende bereikbaarheid van het fornuis is, kan zij met de linker hand de benodigde acties nemen. Dit zal altijd gepaard gaan met tempoverlies, en ook niet voor alle activiteiten lukken; bijv. een gevulde pan kan niet worden getild maar alleen opgelicht of geschoven en aardappels schillen is in principe alleen mogelijk met hulpinstrumenten aangezien voor het schillen van fruit en groenten voldoende functie vereist is van zowel de steunende als de werkende hand, en cliënt in feite éénhandig functioneert. Wanneer deze praktische kwesties een aandachtspunt zijn, zou Mw in haar thuissituatie gezien moeten worden door een arts of een technisch–ergonomisch adviseur.” Deze zinnen ontbreken in het eerste advies.

 

– Onder Prognose: In het eerste advies: “De verwachting is dat de beperkingen zullen toenemen”. In het tweede advies: “Gegeven het beloop van de subjectieve klachten tot dusverre, is de verwachting dat de beperkingen zullen toenemen, tenzij een behandeling wordt gevonden die verbetering brengt. Op dit moment is hierover nog geen uitspraak te doen.”

 

3. Onder de kop Functionele Mogelijkheden Lijst (FML):

– onder Sociaal Functioneren. 10 Vervoer: In het eerste advies: “Beperkt, is voor vervoer aangewezen op hulp van anderen”. In het tweede advies: “Beperkt, is voor vervoer aangewezen op hulp van anderen. Mw. heeft reeds een vervoerspas. In principe moet cliënt in staat geacht worden deze te gebruiken wanneer in het vervoermiddel de rolstoel ingereden kan worden. Indien aan deze randvoorwaarden wordt voldaan, zijn er geen medische omstandigheden te benoemen waardoor mevrouw niet kan reizen met haar elektrische rolstoel in combinatie met vervoerspas.”  

 

Blijkens bijlage 2, welke klaagster heeft overgelegd, zijn de aanpassingen verricht op verzoek van en in overeenstemming met voorstellen van de gemeente.

Op 7 september 2017 ontving klaagster de beslissing op bezwaar van de gemeente waarin de gevraagde voorzieningen werden afgewezen.

 

Klaagster heeft op 8 september 2017 contact opgenomen met E en kreeg per e-mail het medisch advies toegestuurd (advies 1). Enkele dagen later ontving klaagster via de gemeente het medisch advies waarop de beslissing op bezwaar was gebaseerd (advies 2).

Op 3 oktober 2017 stelde klaagster verweerder op de hoogte dat haar aanvraag was afgewezen en dat zij in het bezit was van de twee versies van de rapportage.

Op 11 oktober 2017 belde klaagster verweerder opnieuw. Verweerder heeft aangegeven dat hij de gang van zaken betreurde en zich haar ergernis kon voorstellen.

 

 

3.   STANDPUNT VAN KLAAGSTER EN DE KLACHT

 

Klaagster verwijt verweerder -zakelijk weergegeven-:

– dat hij zonder haar toestemming het medisch advies heeft aangepast, dit vooraf niet aan haar heeft voorgelegd waardoor zij geen gebruik heeft kunnen maken van haar inzage- en blokkeringsrecht;

– dat hij een tweede medisch advies heeft geschreven op aanwijzing van de gemeente;

– dat hij het medisch beroepsgeheim en de beroepscode heeft geschonden.

 

 

4.   HET STANDPUNT VAN VERWEERDER

 

Verweerder voert -zakelijk weergegeven- aan dat hij zich ten aanzien van zijn handelen in deze weloverwogen toetsbaar opstelt. Hij verzoekt het college om bij de beoordeling van zijn handelen rekening te houden met alle door hem genoemde omstandigheden. Verweerder heeft het eerste rapport met klaagster besproken. Zij was het met de strekking ervan eens. Hij heeft dit vervolgens aan zijn supervisor gestuurd die de vervolgstappen heeft ondernomen, zodat het rapport bij de gemeente terecht kwam. Verweerder zat in zijn inwerkperiode en wist niet beter dan dat dit de manier was waarop een en ander zou lopen.

Het was daarnaast de ervaring van verweerder dat cliënten inzage krijgen via de opdrachtgever (gemeente). De tweede rapportage is helaas niet met klaagster besproken. Verweerder was van mening dat de strekking van de rapportage niet anders was dan hetgeen hij in zijn eerste rapportage had genoteerd (afgezien van de opmerkingen over de oppasbehoefte en het OV-pasje). Hij beseft achteraf dat hij de wijzigingen met klaagster had moeten bespreken. Gezien de (tijds)druk van derden is hij hier helaas niet aan toegekomen.

Het spijt verweerder dat klaagster op deze manier geen gebruik heeft kunnen maken van haar inzage- en blokkeringsrecht. Wat betreft de verwijten dat verweerder zich niet heeft gehouden aan zijn medisch beroepsgeheim en de beroepscode erkent hij dat het niet is gegaan zoals wenselijk is. Ter zitting heeft zijn gemachtigde nog aangevoerd dat het inzage- en blokkeringsrecht in deze situatie eigenlijk niet van toepassing is en dat van een schending van het beroepsgeheim geen sprake is, nu klaagster toestemming heeft gegeven voor het verstrekken van inlichtingen aan de gemeente.

 

 

5.   DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE

 

5.1.

Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.

 

5.2

Klaagster heeft ter zitting toegelicht dat zij met haar klacht vooral aan de orde wil stellen dat verweerder onder druk van de gemeente zijn rapportage heeft aangepast, waardoor van een onafhankelijk advies geen sprake meer is, en dat hij de wijzigingen niet met haar heeft besproken waardoor zij geen gelegenheid heeft gehad om onjuistheden te corrigeren. Wat er ook zij van de vraag of het wettelijke blokkeringsrecht in deze situatie van toepassing is en ongeacht of klaagster om inzage in het advies had gevraagd, is duidelijk dat verweerder niet met de vereiste zorgvuldigheid heeft gehandeld door zijn advies op aandringen van de gemeente aan te passen, zonder klaagster daarin te kennen en haar op enigerlei wijze daarbij te betrekken.

Het college stelt daarbij voorop dat, zoals de KNMG-richtlijn Omgaan met medische gegevens in hoofdstuk 2 (Medische advisering, beoordeling of indicatie in opdracht van derden) vermeldt, de arts iedere betrokkene in de gelegenheid stelt om aan te geven of hij de uitslag van de medische advisering wil vernemen.

Voorts is vermeld dat, ook bij rapportages over medische beoordelingen waarin de betrokkene geen blokkeringsrecht toekomt, het een goed gebruik is om de betrokkene eerst een conceptrapport toe te sturen en hem de gelegenheid te geven om feitelijke onjuist­heden te corrigeren. In de situatie waarin het advies met betrokkene is besproken en betrokkene te kennen heeft gegeven dat hij zich daarin kan vinden, is dat laatste niet nodig. Dat wordt echter anders als er inhoudelijke wijzigingen in het advies worden aangebracht: dan ligt het voor de hand de betrokkene daarover te informeren en na te gaan of deze zich ook in het gewijzigde advies kan vinden.

 

5.3

De aanpassingen in de rapportage kwamen er in de kern op neer dat het advies dat de aangevraagde voorzieningen waren geïndiceerd werd geschrapt, dat een aantal opmerkingen over de beperkingen en functionele mogelijkheden werd toegevoegd (met name ten aanzien van alleen thuis kunnen zijn, transfers, naar het toilet gaan, staan en werken in de keuken) en dat de opmerkingen over de indicatieduur, behandelings­mogelijkheden en prognose werden genuanceerd.

Ook al meende verweerder dat de strekking van het advies daarmee niet veranderde, hij had moeten begrijpen dat de vragen en opmerkingen van de gemeente niet voor niets waren en dat de wijzigingen relevant waren. Daar komt bij dat hij aan klaagster te kennen had gegeven dat hij zou adviseren de voorzieningen te verstrekken. Dat positieve advies had hij ook in de eerste versie van het rapport opgenomen. In de aangepaste versie heeft hij dit geschrapt, omdat de gemeente aangaf dat het aan haar is de indicatie te stellen op basis van het advies.

Wat daar echter ook van zij, verweerder week daarmee in elk geval af van wat hij klaagster in het vooruitzicht had gesteld. Verder liet verweerder in het rapport staan dat hij het advies met klaagster had besproken en dat zij zich in het advies kon vinden. Ten aanzien van de aangepaste versie kon dat echter niet zonder meer worden gezegd. Door deze gang van zaken heeft klaagster niet de mogelijkheid gehad om eventuele feitelijke onjuistheden in de gewijzigde versie te corrigeren en haar mening mee te laten wegen. Verweerder heeft in dat opzicht niet de zorgvuldigheid jegens klaagster betracht die in de gegeven omstandigheden van hem had mogen worden verwacht.

 

5.4

Uit de overgelegde stukken blijkt verder dat de gemeente vragen heeft gesteld en opmerkingen heeft gemaakt over het eerste advies en nadrukkelijk heeft verzocht dit advies op een aantal punten aan te passen. Daarbij heeft de gemeente in de bijlage bij de e-mail van 7 september 2017 opgemerkt dat zij een aantal uitgeschreven vragen en antwoorden in het advies terug wilde zien. Verweerder heeft die teksten inderdaad in het gewijzigde advies overgenomen.

Daardoor lijkt het alsof de gemeente het advies in zoverre heeft gedicteerd. De gemeente verwijst voor de bedoelde vragen en antwoorden echter naar een (niet overgelegde) e-mail van verweerder van 7 september 2017. Gelet daarop gaat het college ervan uit dat de antwoorden wel van verweerder afkomstig waren. Voor zover klaagster heeft bedoeld dat de gemeente de inhoud van het advies heeft bepaald, ziet het college voor dat verwijt dan ook onvoldoende grond.

Wel is juist dat de gemeente uiteindelijk min of meer heeft gedicteerd wat er in het advies moest worden opgenomen. Door daaraan mee te werken, zonder klaagster daarin te betrekken, heeft verweerder hoe dan ook de schijn van een gebrek aan objectiviteit laten ontstaan. Dat had hij moeten voorkomen. Het college acht de klachten in zoverre gegrond.

 

5.5

Niet in geschil is dat klaagster aan verweerder toestemming had gegeven voor het verstrekken van inlichtingen aan de gemeente. De klacht dat verweerder zijn beroepsgeheim heeft geschonden, acht het college dan ook ongegrond.

 

5.6

Nu de klacht deels gegrond is, zal een maatregel worden opgelegd. Het college constateert dat verweerder zijn eigen professionaliteit onvoldoende heeft bewaakt en te weinig oog heeft gehad voor de positie van klaagster toen hem om aanvulling en aanpassing van het advies werd gevraagd. Het college houdt in het voordeel van verweerder rekening met het feit dat hij in een inwerkperiode zat, dat hij bij de aanpassing van de rapportage heeft gehandeld op advies van een ervaren collega en dat hij onder (tijds)druk stond. Gelet op dit alles acht het college een waarschuwing passend.

Om redenen, aan het algemeen belang ontleend, zal deze beslissing worden gepubliceerd.

 

 

6.   DE BESLISSING

 

Het college:

  • verklaart de klacht gedeeltelijk gegrond (als hierboven genoemd onder 5.2, 5.3 en 5.4)
  • legt op de maatregel van waarschuwing;
  • wijst de klacht voor het overige af;
  • bepaalt dat deze beslissing nadat deze onherroepelijk is geworden in geanonimiseerde vorm in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekend­gemaakt en ter publicatie zal worden aangeboden aan de tijdschriften ‘Tijdschrift voor Gezondheidsrecht’, ‘Gezondheidszorg Jurisprudentie’ en ‘Medisch Contact’.

 

Aldus gedaan door mr. H.L. Wattel, voorzitter, mr. dr. Ph.S. Kahn, lid-jurist en,

M.D. Klein Leugemors, dr. A.P.E. Sachs en M.J.T. Tijkotte, leden-artsen in tegenwoordigheid van mr. B.E.H. Zijlstra-Bauer, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2018 door mr. A.L. Smit, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. H. van der Poel-Berkovits, secretaris.

 

 

voorzitter

 

secretaris

Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg door:

a. de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij niet-ontvankelijk is verklaard;

b. degene over wie is geklaagd;

c. de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van de volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hun toevertrouwde belangen aangaat.

Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroepschrift wordt ingezonden bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.

 

sharingcaring

%d bloggers liken dit: